Columniste Karien Damen liet zich inspireren door de betoverende lichtwandeling Ulvenhout. Ze heeft de legende van de witte gans op papier gezet. Deze week lees je hoe Koen, fietsend langs de Mark, in zwaar weer belandt.
“Er komt onweer aan jongen, je kunt beter maar meteen naar huis gaan.”
Koen en zijn opa, tegenover hem, kijken allebei verstoord op als oma haar hoofd om de hoek van de kamerdeur steekt. Ze gingen allebei volledig op in het schaakspel dat tussen hen in staat. De witte dame van Koen stond op een positie van acuut gevaar. Zijn hand zweefde net naar een van de lopers.
Zijn opa kijkt nu naar buiten, waar het midden op de dag donker aan het worden is. Koen volgt zijn blik. Aan de takken van de boom voor het huis is te zien dat er nu ook meer wind staat.
“Kan de jongen niet beter hier blijven tot de bui over is?”
“Zijn moeder wacht op hem en als hij over de Ulvenhoutselaan fietst kan hem weinig gebeuren.”
“Opa, als alles zo mag blijven staan, kunnen we vrijdag toch het spel afmaken?”
“Dat doen we, dan kun je ook nog nadenken over je witte dame, trek maar snel je jas aan.” Hij knipoogt naar Koen.
Voor het huis haalt Koen zijn fiets van het slot. Zwaait nog eens naar zijn grootouders die samen in de deuropening staan. Met de wind in de rug, fietst hij de Burgemeester Pastoorsstraat uit. Aan het einde van de straat twijfelt hij. Als hij nu gewoon langs de Mark terugfietst, is hij veel sneller thuis dan over de Ulvenhoutselaan. Een beetje nat worden, is toch niet erg? Hij kijkt nog eens om. Ze kunnen hem nu toch niet meer zien. Vlug steekt hij de Werfstraat over. Hup, in de richting van de Duivelsbruglaan gaat het.
Al snel is hij een eindje op weg over het fietspad langs de Mark. Boven zijn hoofd vliegt een stel gakkende ganzen hem vooruit. Zijn snelheid en de wind door zijn haren, maken dat hij enthousiast terug gaat gakken. Achter hem hoort hij gerommel. Die bui zal hem niet inhalen, stevig trapt hij door. Ineens wordt het pad voor hem fel verlicht. Een paar tellen later kraakt de lucht van de daaropvolgende donderslag.
Dat was wel heel dichtbij, schrikt Koen. En waar hij nu rijdt, is het helemaal open. Wat moest je ook alweer doen als je door onweer overvallen werd in het open veld? Gaan liggen, dat was het. Even verderop ziet hij een bosje, dat haalt hij wel voor de volgende klap. Nee, nu begint het ook nog te regenen. Steeds harder fietst hij, zijn longen barsten bijna. Steeds harder valt ook de regen op hem neer. Alsof hij Koen wil tegenhouden. Bij het bosje aangekomen, laat Koen zich met fiets en al vallen.
Dat is net op tijd. Want opnieuw licht de wereld op. De donder is er bijna op hetzelfde moment. De grond onder hem trilt ervan. Gelukkig lijkt dat na even wachten ook de laatste klap geweest te zijn. Hij hoort nu alleen nog maar regen. Regen die in een zachte cadans uit de lucht valt. Nu de spanning wat wegebt snuift hij de geur van rotte bladeren op. Vanuit zijn schuilplaats, ziet hij plotseling een witte gans tussen het riet.
Ze richt zich op alsof ze weg wil vliegen. Als ze haar vleugels uitslaat ziet hij dat het een vrouw is met lange witte haren. Toch is ze niet oud. Haar bleke lippen bewegen. Het is alsof ze hem iets wil zeggen. Ze strekt haar armen uit. “Kom mijn kind, kom in mijn armen, het water zal je warmen. Kom in mijn armen en het water zal je warmen. Kom mijn kind, ik weef voor je een bed van riet, dan vergeet je al je verdriet.” Haar stem sust hem langzaam in slaap. Hij wil niets liever dan het water in glijden...
Wordt vervolgd.
Andere verhalen lezen van Karien? Klik op Terug in Ulvenhout