Ulvenhout, 29 september 2026
Lieve spiegel,
Je reist al heel lang met ons mee. Alle verhuizingen heb je gelukkig overleefd. Ik moet ineens aan die ene keer denken, dat we je wilden je inpakken en je vanzelf van de muur afkwam. De ijzeren draad waaraan je hing was helemaal doorgesleten. De verhuizing kwam net op tijd. We hebben toen gelijk een dikkere draad aan je bevestigd. Of die keer dat mijn twee meter lange broer je ophing. Weet je dat nog? Ik kon mijn ogen nog net in je zien. De rest bleef verborgen onder je gouden lijst.
Ik weet eigenlijk niet wat je vindt van je nieuwe plek hier in de gang naast de kapstok. Het lijkt mij een beetje saai en donker. We lopen zonder je te zien naar de voordeur. Gasten richten bij binnenkomst, hun blik direct op het uitzicht aan het eind van de lange gang, het Markdal.
Vroeger hing je altijd in de woonkamer bij de eetkamertafel. In ons nieuwe huis is daar geen ruimte voor. Je maakt zo veel minder deel uit van ons leven. Toen stond ik, in het voorbijgaan, ook meer in je te turen. Ik oefende houdingen die me zelfverzekerder lieten lijken. Trok mijn gezicht in allerlei plooien totdat ik de schoonste van het land was. Of in ieder geval knap genoeg om de buitenwereld aan te kunnen.
Misschien heb ik dat minder nodig, nu ik ouder ben. Het kan me niet meer zoveel schelen wat anderen van me denken. Ik geeft toe, dat is nog geen excuus om je eenzaam in het donker te laten hangen. Kom, ik zal het licht eens aandoen en weer net al vroeger allerlei poses aannemen. Ik weet niet dat je niet naar mij kunt lachen of instemmend kunt knikken, maar ik krijg het gevoel dat je er ineens blijer bij hangt.
Morgen weer?