Ik krijg het al benauwd als ik eraan denk. Op vakantie gaan, is ergens naartoe gaan. Sleuren met je spullen, in eindeloze rijen staan. Wachten tot je trein aankomt of tot je kunt inchecken voor je vlucht. Medewerkers van de beveiliging die ruw aan je trekken omdat je niet snel genoeg begrijpt wat de bedoeling is.
De tijd doden op een bankje met het kijken naar andere reizigers die voorbijtrekken, een enkeling doelgericht, de meesten verveeld hun bagage of jengelende kinderen voorttrekkend. Of nog erger, in de brandende zon, staren naar de bumper van de auto die voor die van jou stilstaat.
Een glimp
Waar kun je nog heen zonder in de rij te hoeven staan om een glimp op te vangen van dat ene kunstwerk of sieraad? Of waar hoe je niet te wachten tot er een plekje vrij komt op het terras?
Ik denk aan Moermansk, de grootste stad boven de poolcirkel, waar het twee maanden per jaar nacht is. Ooit zag ik een foto van een groepje kleuters daar, die hun dagelijkse portie Uv-straling ontvingen van de hoogtezon (The Russians, Hedrick Smith, 1976). Of aan Furnace Creek in Death Valley, in de zomer de heetste plek op aarde. Hier wonen al eeuwenlang de Timbisha Shoshone, een inheems-Amerikaanse volk.
Onherbergzaam
Toch zal ik de betekenis van het woord: onherbergzaam, voor deze plaatsen maar letterlijk nemen. Ook hier wil ik niet naar toe.
Maar wat dan? Dan valt me een briljante gedachte in. Ik kan natuurlijk ook gewoon gaan lopen of fietsen vanuit huis of desnoods bus 375 nemen en dan maar zien waar ik terecht kom. Op buurtsafari en ’s nachts gewoon thuis slapen. Dat ga ik doen deze zomer. Ik heb er nu al zin in.
Wordt vervolgd…